Column

Er zijn betere woorden te vinden

Er zijn betere woorden te vinden

Al het toeteren van de media en politieke woordspelletjes ten spijt, is er nog bijzonder weinig gezegd over 22 maart dat bijdraagt aan het verwerken van de shock, of het verminderen van de angst voor wie elke dag weer met die metro moet. Tijd om onze eigen, meer hoopvolle en troostende, woorden te vinden.

De ochtend van 22 maart zat ik in de koffietent in mijn straat. Ik was erheen gelopen nadat mijn bus vlak bij metrostation Maalbeek was stilgezet. Een bezorgd smsje van een collega maakte al snel duidelijk waarom.

Ik at een onder gewone omstandigheden verboden donut met chocolade sprinkles, in de hoop dat mijn handen zouden stoppen met trillen. Op mijn laptop stonden tien browservensters met Twitter en alle krantensites open. Als ik niet kon helpen, moest ik op zijn minst een rol als oplettende getuige van de ontwikkelingen vervullen. Ondertussen kreeg ik berichten van vrienden. Of ik oké was? En ook van redacteurs. Of ik iets wilde schrijven?

Ik wilde graag iets schrijven. Niet omdat ik mijn mening zo belangrijk vind, wel omdat schrijven mijn manier is om de wereld te begrijpen. Maar in plaats van te schrijven, lag ik de avonden die volgden verslagen op de bank.

Wanneer media elkaar verdringen om niet de beste, maar de eerste te zijn, kunnen woorden op wonderbaarlijke wijze van betekenis veranderen.

Eileen Myles schreef eens dat ze als dichteres haar ‘atelier’, dat bestaat uit taal, overal met zich meeneemt. Ze omschrijft zichzelf als een soort schaapsherder, een hoeder van woorden. Het zijn niet háár woorden, het is niet háár taal, maar toch zorgt ze ervoor. Ze drijft de kudde voort, via de woorden beweegt ze zich door de wereld. Taal verbindt haar met haar gemeenschap en cultuur.

Ik wilde iets schrijven over 22 maart, maar mijn woord-schapen waren door de impact van de gebeurtenissen mijn taalgebied ontvlucht. Ik was mijn kudde kwijt.

Daarom las ik in de weken die volgden aandachtig de woorden van anderen. En toen merkte ik dat wanneer media elkaar verdringen om niet de beste, maar de eerste te zijn, en wanneer politici elkaar willen overtreffen met almaar harder opgepompte spierballentaal, woorden op wonderbaarlijke wijze van betekenis kunnen veranderen.

Zo las ik op de site van een kwaliteitskrant dat een beveiligingsmedewerker uit de nucleaire sector was vermoord en zijn toegangsbadge gestolen. Een paar uur later was het bericht gewijzigd en stond er dat ‘sommige media’ ten onrechte hadden vermeld dat de badge gestolen was. Een vindingrijke manier om naar jezelf te verwijzen.

Talloze opiniestukken en analyses later voel ik me lamgeslagen door woorden die werkelijk niets bijdragen aan verbinding, dialoog of rouwverwerking.

‘Onschuldig totdat het tegendeel is bewezen’ kreeg ook een nieuwe betekenis. Na een terroristische aanslag houdt het blijkbaar in dat een gearresteerde verdachte direct met volledige naam en foto in alle media mag verschijnen, ook al wordt die persoon vrijwel meteen en zonder voorwaarden weer vrijgelaten.

Het woord ’hooligan’ bleek niet alleen naar relschoppende voetbalsupporters te verwijzen. Het kunnen blijkbaar ook in het zwart geklede personen met sjaals voor hun gezichten zijn, die rouwende mensen de stuipen op het lijf jagen, begeleid door een politie-escorte.

‘Racisme’ blijkt niet een serieus probleem, maar een ‘populistische term’ te zijn.

Eén persoon kan een significant deel van een bevolkingsgroep van 800.000 mensen vormen, want ‘significant’ betekent ‘dat het iets betekent’.

Talloze opiniestukken en analyses later voel ik me lamgeslagen door woorden die werkelijk niets bijdragen aan verbinding, dialoog of rouwverwerking. Soms lijkt het alsof de krachttermen van politici en het verbaal geweld in de commentarensecties van de kranten mijn eigen gedachten overstemmen.

Na het gespin en gepolariseer van de afgelopen weken zullen we onze eigen, hopelijk meer troostende en hoopvolle, woorden moeten vinden om 22 maart een plek te geven.

We zullen onze eigen, hopelijk meer troostende en hoopvolle, woorden moeten vinden om 22 maart een plek te geven.

Waarom woorden zo belangrijk zijn in de aanblik van terreur, hoorde ik nog eens in een interview met onderzoeksjournalist Frank Westerman, die sprak over de treinkaping die in 1975 in Nederland plaatsvond. De kapers eisten destijds een vrije Zuid-Molukse Republiek. Na twaalf dagen en drie doden, gaven ze zich over.

Journalist Westerman zegt over zijn ontmoeting met de voormalige treinkaper Abé Sahetapy: “Abé is na het geweer de pen gaan hanteren. En wat schrijft hij? ‘Ik heb mij leren verwoorden’. Dat… is volgens mij de definitie van het afzweren van geweld. Als je jezelf kunt verwoorden, grijp je niet naar een Kalasjnikov.”

Illustratie: Istock

Schrijf je reactie

1 reactie
  • Mooi gezegd Selma! Vooral het idee van ‘leren verwoorden’. Zo belangrijk. Soms vind ik de juiste woorden niet. En als ik die dan vind, dan vallen de puzzelstukjes in elkaar en klopt het plaatje. Het is ook niet voor niets dat kinderen zo snel boos kunnen worden, ze hebben nood aan iemand die hun de woorden aanbrengt om hun gevoelens onder woorden te brengen.

Selma Franssen is freelance journalist en auteur van 'Vriendschap in tijden van eenzaamheid' (uitgeverij Houtekiet, 2019). Haar werk verscheen onder meer bij Charlie Magazine, OneWorld, De Morgen, De Standaard, The New Statesman, VPRO en Vice. Ze volgde het postgraduaat Internationale Onderzoeksjournalistiek, ontving een beurs van het Fonds Pascal Decroos voor haar werk en presenteert journalistieke lezingenreeks 'Moeilijke Dingen Makkelijk Uitgelegd'.

Colofon

Adres Redactie

Toko Space t.a.v. Charlie Magazine
Statiestraat 139
2600 Antwerpen