Laten we lachen naar elkaar!

Mensen lopen steeds meer met hun ogen op hun tenen gericht de straat over. Of ze houden een smartphone in de hand waar hun blik nauwelijks van afwijkt. Ik loop steevast met mijn hoofd in de lucht, neem de omgeving in mij op en glimlach naar al wie mijn pad kruist. Als er dan eens iemand is die vrolijk teruglacht, wordt mijn grijns zowaar nog breder. Wat is er mooier dan een volstrekt vreemde die de moeite neemt je in de ogen te kijken en goeiedag te zeggen met een simpel knikje?
Ook mensen die ‘bedankt’ zeggen in het verkeer door eens hun hand van het stuur te heffen of mij vriendelijk laten oversteken bij het zebrapad, maken mijn dag instant beter. Vorig jaar had ik problemen met mijn fietsketting. Langs de kant van de weg probeerde ik uit te zoeken wat het probleem kon zijn. Misschien kwam het omdat ik een rokje aan had, maar vrijwel meteen bood een aardige man zijn hulp aan. Hoe dan ook: even later fietste ik verder.

Het is soms maar een kleine moeite om iemand een grote dienst te bewijzen. En toch is dit een zeldzame gebeurtenis. Wanneer we in de stad van deadline naar deadline spurten, nemen we nauwelijks de tijd elkaar te begroeten, laat staan dat we iemand in nood onze hulp aanbieden. Hoe jammer ik dit ook vind, er is een wetenschappelijke verklaring voor. Het zit allemaal in onze genen.

Onze voorouders leefden in kleine stammen bij elkaar. Kenmerkend voor deze levenswijze, was dat elk lid de andere leden van de stam persoonlijk kende. Antropoloog Robin Dunbar berekende ooit dat we in groepen van maximaal 150 mensen mogen leven opdat iedereen elkaar zou kennen en een zekere sociale band met elkaar kan behouden. In de 19de eeuw zijn we plots met zijn allen op een beperkt aantal vierkante kilometers in de stad gaan wonen, maar ons prehistorisch brein heeft tijd nodig om zich aan te passen. Met die ‘tijd’ bedoelen wetenschappers enkele duizenden jaren…

“Vreemden behoren volgens ons oerbrein tot een andere soort.”

We leven anno 2017 dus met veel meer dan 150 mensen samen. Als we, net als onze voorouders, iedere persoon die we tegenkomen op weg naar het werk begroeten, zouden we daar nooit op tijd aankomen. Stel je voor dat je elke persoon te hulp zou schieten bij het kleinste probleem. We zouden zo veel tijd verliezen, dat we niets meer gedaan krijgen. Het is dus een soort overlevingsinstinct: wie zich constant moet afvragen of anderen hulp nodig hebben, kan nu eenmaal niet meer voor zichzelf zorgen.

Daarom negeren we voorbijgangers. We objectiveren onze stadsgenoten, zien hen niet meer als levende individuen. We doen gewoon alsof ze er niet zijn. In wetenschappelijke kringen noemt men dit ‘sociale pathologie’. Het is onmogelijk om iedereen als stamgenoot te beschouwen. Vreemden behoren volgens ons oerbrein als het ware tot een andere soort.

Op het platteland, waar ik vandaan kom, is dat anders. Elk individu is ergens wel een vage kennis. Of het nu de zus van de vrouw van de huisdokter of de zoon van de achternicht van je grootmoeder is, vrijwel iedereen knikt je vriendelijk gedag tijdens het aanschuiven in de supermarkt. Misschien komt het net door het wekelijkse pendelen tussen dorp en stad, dat deze verschillen mij opvallen. Waar ik opgegroeid ben, is lachen naar de mensen of hulp aanbieden de normaalste zaak. In de stad blijk ik toch eerder een uitzondering te zijn.

“Laten we onze hulp aanbieden aan vreemden, zonder dat zij daar zelf om hoeven te vragen.”

Het voordeel van dit alles is dat ik geleerd heb te genieten van de zeldzame momenten van oprechte vriendelijkheid in een drukke stad. Wanneer de persoon voor mij de deur van het postkantoor iets langer openhoudt zodat ik met mijn grote doos naar binnen kan. Of het moment waarop iemand spontaan mijn fiets helpt dragen, wanneer ik sukkelend de top van de roltrap in het station probeer te halen. Als een voorbijrijdende automobilist zijn ruit laat zakken en me complimenteert met mijn coole fiets.  Of wanneer een oud vrouwtje op de tram haar vals gebit bloot lacht en me een fijne dag wenst.

Nu zouden we ons kunnen verstoppen achter deze wetenschappelijke verklaring en elkaar duchtig verder negeren. Maar zijn we dan niet meer dan slaafjes van ons eigen prehistorisch brein? Wat als we de evolutie van dat verdomd trage brein nu eens versnellen? De touwtjes zelf in handen nemen en ingaan tegen dit diepgewortelde instinct. We hoeven ons niet te laten leiden door onze oerdriften, dat doen we op andere vlakken ook niet.

Laten we dus allemaal wat vaker onze ogen van onze telefoon halen, de mensen die we tegenkomen in de ogen kijken en even oprecht glimlachen. Laten we onze hulp aanbieden aan vreemden, zonder dat zij daar zelf om hoeven te vragen. Laten we voetgangers voortaan altijd laten oversteken bij het zebrapad en ‘bedankt’ zeggen in het verkeer. Het zou de wereld zoveel mooier en vriendelijker maken, denk je niet?

 

Foto: Istock
1 reactie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Zonder jou, geen Charlie

We hebben jou nodig om ons magazine te blijven maken. Kom dus bij de club en krijg:

  • 2 bookzines (nr. 5: voorjaar 2017, nr. 6: najaar 2017)
  • Charlie goodies
  • toegang tot alle online artikels

Zonder jou, geen Charlie!

Er is meer dan ooit nood aan eerlijke verhalen en het geloof dat we dingen kunnen veranderen. Hell yeah. Word een Charlie en maak ons magazine mee mogelijk.

Ik word lid!